Foto - Terezinha plantando mandioca - Kees van Vliet - November 2008

Nieuwsbrief I – Xavante

Brazilië, 2 mei 2008.

Een van de laatste regenbuien is in aantocht alvorens de droge tijd zijn intrede doet. Ik hoop dat Seremadi, de dorpsoudste van Papa Mel,  dit keer niet de regen tegen houdt. Tot nog aan toe heb ik hem nog niet voor zijn huis gezien al gebarend naar de donkere lucht met een tak in zijn hand…

Na een lange doch goede voorbereiding, waaronder de oprichting van Stichting Mandioca en een succesvolle fondsenwerving, ben ik half maart vanuit Nederland vertrokken richting het Xavante- reservaat in Mato Grosso, Brazilië. om aldaar Project Mandioca in opdracht van de stichting uit te voeren.

Met een tussenstop in São Paulo en een tweedaagse  motorrit met Frans Leeuwenberg vanaf het stadje Goias Velho, staat Goias, kwam ik aan op de plaats van bestemming: Het Xavante reservaat Pimentel Barbosa. De eerste paar dagen van mijn verblijf  in het reservaat heb ik samen met Frans doorgebracht. Hier hebben wij een aantal zaken goed doorgesproken met de belangrijkere of invloedrijke mensen  in de dorpen Papa Mel en Caçula. De dorpen waar ik in eerste instantie het project uitvoer.

Papa Mel, is een klein dorp. De drie mannen van het dorp spreken behoorlijk Portugees. Al heb ik wel soms moeite met het verstaan en begrijpen van Seremadi. Hij heeft een doorrookte stem van het jarenlange roken, zijn zinsbouw is vaak gelijk aan die van zijn eigen taal en daarbij is hij nog halfdoof ook. Het kost soms wat tijd maar uiteindelijk begrijpen wij elkaar wel. Hij vertelt graag verhalen van vroeger. De vrouwen verstaan wat Portugees, de kinderen vrijwel niets. Reden te meer om woorden van hun taal te leren. Behalve gemak levert het ook veel hilariteit op. Een warazu, blanke, die struikelend over de klanken woorden of zelfs zinnen probeert uit te spreken.  Verder probeer ik iedereen aan te spreken met hun Xavante naam, zo ook Frans en Jeroen Leeuwenberg; asada a (rode jaguar) en utubraba wê. Zelf heb ik in de eerste week ook al een mooie naam gekregen; Tseri wa prê. Wat die van Jeroen en mij betekenen ben ik nog niet achter gekomen.

De eerste week is voorbij gegaan met het kopen van materiaal in het dichtstbijzijnde (100km) stadje Canarana. Een plaats dat waarschijnlijk tientallen jaren geleden nog maar weinig voorstelde en nu  is uitgegroeid tot een weinig sfeervol handelsstadje met brede straten in rasterpatroon. Waar het een komen en gaan is van grote vrachtwagens voor met name vee en soja transport. Deze handel maakt Mato Grosso tot een van de rijkere staten van Brazilië. Het overige transport is voor de aanvoer van levensmiddelen. Gezien de staat naar verhouding rijk is én de grote afstanden die moeten worden afgelegd is het levensonderhoud vrij kostbaar. Voor vele producten doen de prijzen niet onder aan die van in de Nederlandse supermarkten. Soms zelfs duurder.

De aanschaf van materiaal leverde geen problemen op, het transport daarentegen wel. Na het  eerste bezoek aan het reservaat bij het dorpje Caçula, dat vrijwel op de weg ligt naar het dorpje Papa Mel, bleek een bruggetje over een beek half te zijn weggespoeld. Iedere regentijd doet het zelfde probleem zich voor. Het wassende water doet zijn werk, is het niet het ene bruggetje is het wel het andere dat er aan onder door gaat. Eerste prioriteit was dus het reparen cq verplaatsen van de brug.  Daarbij een goede proef op de som wat het samenwerken betreft en een eerste toespraak tijdens de warã (avondraad) in Caçula om duidelijk te maken dat de brug ook voor hun belangrijk is en dat hulp dus vereist is. Uiteindelijk heeft het drie dagen gekost en slechts een zak enorme spijkers. De ultieme test was niet een vrachtwagen die erover heen ging maar een traditionele estafette met een +/- 70 kilo wegend stuk boomstam van de Buriti-palm. Naderhand kon de vrachtwagen er ook met gemak overheen.

Met de bevoorrading van het project heb ik tweemaal gebruik gemaakt van de oude Mercedes  vrachtwagen van het Caçula. Een erg riskante onderneming gezien er elke rit die er mee wordt gemaakt wel iets hapert of kapot gaat. Een vrachtwagen waar je zittend in de cabine de weg tussen je benen door aan voor bij ziet schieten en met banden die tot op de draad aan versleten zijn.  Deze is hen eens gegeven door Fundação Nacional do Indio ofwel Funai: de overheidsinstelling voor de indianen van Brazilië. Wie er precies verantwoordelijk is voor het onderhoud weet ik niet. Maar de redenatie is als volgt. Op het moment dat ik de vrachtwagen gebruik voor transport, waarbij ik de gemaakte kilometers betaal in diesel, draai ik ook op voor een eventuele reparatie. Dit is een keer gebeurd, gelukkig kostte dit maar om en nabij de 10 euro. Een volgende keer zou ik op kunnen draaien voor bijvoorbeeld een nieuwe band. Daarbij zou het veel vertraging op kunnen leveren als wij langs de weg stil zou komen te staan of erger halverwege het reservaat. Nu staat de vrachtwagen al twee weken stil nabij Papa Mel vanwege een kapotte stuurinrichting.

Aan de andere kant heeft het ook wel zijn charme om met de vrachtwagen volgeladen met Xavante naar de stad te gaan. De motorista die vol in de rem gaat om kortgeleden aangereden tatu, gordeldier, van de weg te halen als eten voor thuis. En prompt vijf minuten later weer vol in de rem te gaan om een zojuist overstekende tatu met zijn allen te achtervolgen tot diep in het struikgewas. De tatu is de dood ontsprongen. Wellicht is de nieuwe generatie Xavante minder volhoudend als de oude en geven zij de moed eerder op.

De gedachte dat de Xavante anno 2008 na 60 jaar contact met de blanke nog naakt zouden rondlopen heb ik nooit gehad. Wel ben ik geschokt over het feit dat vele Xavante enorm afhankelijk zijn geworden van de stad en dat er nu families met voedseltekorten zitten omdat de vrachtwagen twee weken stil staat. Producten die zij voor het contact niet kenden zijn nu onder vele het meest gewild. Koffie, suiker, frisdrank, koekjes, rijst etc. Niet het meest gezonde. Een kilo suiker waar ik in Nederland een jaar mee doe, gaat er hier bij een gezin ongeveer in een week doorheen.  De gebitten van de kinderen zien er vaak al beroerd uit en diabetus ligt op de loer. Vooral in het dorp Caçula, het grotere dorp met de vrachtwagen en dus met regelmaat in de stad komen.  In andere reservaten schijnt het al veel erger te zijn wat ziekten betreft.

Een positieve kant is er ook. Veel ouderen én jongeren realiseren dat de afhankelijkheid en het voedsel van de brancos ook negatieve kanten heeft. Zij constateren ook dat het voedsel dat zij graag nuttigen een slechte voedingswaarde heeft en ziekten met zich meebrengt.  Echter constatering en het ondernemen van actie gaat niet voor iedereen gelijk met elkaar op.

Papa Mel daarentegen vormt ondanks dat het een klein dorp is een voorbeeld voor de andere dorpen. De bedrijvigheid is groot. Rond het dorp hebben zij grote familie akkers aangelegd met mandioca met daar tussendoor verschillende soorten batatas, pompoenen en hun traditionele bonen. In een andere tijd van het jaar verbouwen zij tevens traditionele maïs. Bij de voorbereiding van het project hebben zij vanaf het begin af aan al te kennen geven deel uit te willen maken van Project Mandioca. Vanwege de bedrijvigheid en het enthousiasme is besloten in dit dorp van start te gaan. Een niet verkeerde beslissing.

De bouw van het casa de farinha, het mandioca-huisje,  verloopt hier dan ook voorspoedig door een goede samenwerking. De twee ouderen, de cacique (als het ware dorpschef) Pérãprã en Seremadi komen vaak even buurten en helpen vervolgens enthousiast mee. Standaard werk ik met José, een veertiger die graag zit. Toch weet ik ook hem te motiveren. Eenmaal heb ik een gevoelige snaar bij hem geraakt door te zeggen dat de twee oudste van het dorp de hardste werkers zijn. De oudere kinderen van het dorp betrek ik ook bij het project. In dit dorp is namelijk geen schooltje waardoor de kinderen vaak wat rondhangen rond de bouwplaats uit nieuwsgierigheid. Behalve zand uit de beek scheppen en water halen hebben ze ook het een en ander geleerd van metselen. Verder wordt er veel lol gemaakt. De Xavante zijn echte grappenmakers, houden van vermaak en nog meer van leedvermaak.

Voor de mensen en kinderen die meewerken verschaf ik een goede lunch. In het begin bereidde ik deze zelf op een vuurtje maar dit kostte enorm veel tijd. Nu vraag ik vrijwel iedere werkdag de vrouw van José de maaltijd te bereiden in haar keuken. Voor de lunch maak ik dan nog even snel een salade of een gebakken ei met ui of iets dergelijks. Hetgeen wat overblijft, wat meestal vrij royaal is, is voor de vrouw die het bereidt heeft en voor haar kinderen.

Tijdens de warã bespreken wij, ik en de bewoners, de voortgang van het project. Ook het dorp Caçula bezoek ik met regelmaat. Eerlijkheid en openheid naar de gehele gemeenschap is mijn motto.  Het klinkt heel braaf maar werkt wel het beste.  In de warã wordt over het algemeen gesproken over wat de plannen zijn voor de volgende dag of week en hoe het met de overige zaken staat. Vooral ook  wat hun plannen zijn en daarbij wat grappen maken. Al vraag je vijf verschillende personen op een dag naar de plannen van morgen dan geeft iedereen een verschillend antwoord. Meestal blijft heel de dag onbesloten wat het plan van de dag is. Er hoeft maar iets te gebeuren en ze gaan van links naar rechts. Bijvoorbeeld als er een komt vertellen dat hij sporen heeft gezien van meerdere queixadas (witlippekari’s – een wildzwijnen soort van de Cerrado en Amazone) gaat het bloed direct sneller stromen van de Xavantes. Wel eens lastig maar niet onmogelijk om mee te leven. Eerlijk gezegd bevalt het mij prima.

Om een lang verhaal niet al te lang te maken sluit ik af met wat foto’s. Snel weer een bericht.

Vanuit Papa Mel waar uiteindelijk toch een van de laatste regenbuien  is aangekomen en de regen klettert op het palmbladerdak van mijn huisje.

Met vriendelijke groeten,

Kees van Vliet – Tserewapre